De aankoop van een onroerend goed tijdens de echtscheidingsprocedure



Het gebeurt vaak dat één der echtgenoten tijdens de echtscheidingsprocedure reeds een onroerend goed aankoopt.

Ondanks de fictie van de terugwerkende kracht (artikel 1278 Ger. W.) dienen echtgenoten in dergelijke hypothese voorzichtig te zijn.

Artikel 1418 BW bepaalt dat de toestemming van beide echtgenoten vereist is voor onder meer de aankoop van een onroerend goed.

De echtgenoot die in strijd met voormeld artikel een onroerend aankoopt, zal moeten leven met het risico dat de andere echtgenoot de nietigverklaring kan vragen.

Het is dan ook aangewezen om de andere echtgenoot bij de aankoop te betrekken en deze in de aankoopakte te laten verklaren dat hij/zij instemt met de aankoop, zonder de bedoeling om mede-eigenaar te worden.

Ten aanzien van derden is men nooit veilig: schuldeisers van gemeenschappelijke schulden mogen hun vorderingen uitoefenen op dit (tegenover hun gemeenschappelijk) onroerend goed.