De preferentiële toewijs van de woning



De artikelen 1146 en 1447 BW voorzien dat één van beide echtgenoten de preferentiële toewijzing kan vragen van één van de onroerende goederen die als gezinswoning dient en de aldaar aanwezige huisraad, en/of van de woning en goederen dienend voor de uitoefening van het beroep.

 

Opmerking: De toewijs bij voorrang kan evident enkel slaan op de gemeenschappelijke goederen en niet op de eigen goederen van één der echtgenoten, ook al zouden deze de gezinswoning uitmaken.

 

Wat als het gaat om een onroerend goed dat door één der echtgenoten in de huwgemeenschap werd ingebracht?

In dat geval mag de inbrengende echtgenoot dat onroerend goed terugnemen. Dit recht (artikel 1455 BW) heeft voorrang op de preferentiële toewijs voortvloeiend uit de artikelen 1446-1447 BW.

 

Op welk ogenblik beoordeelt men het karakter van ‘gezinswoning’ en van onroerend goed ‘dienend voor de uitoefening van een beroep’?

De grootste strekking in de rechtsleer meent dat indien een onroerend goed de bestemming heeft als ‘gezinswoning’ of ‘dient voor de uitoefening van een beroep’ op datum ontbinding huwelijksstelsel, de preferentiële toewijs kan worden gevraagd.

Dat het onroerend goed deze bestemming na de ontbinding verloren heeft (wanneer bijvoorbeeld in het kader van voorlopige maatregelen een echtgenoot de gezinswoning – alwaar deze zijn beroep uitoefende – diende te verlaten), is bijgevolg niet relevant voor de toewijs bij voorrang.

 

Met welke criteria houdt de rechtbank rekening om de eis tot preferentiële toewijs al dan niet in te willigen?

Artikel 1447, 2de lid BW bepaalt dat de rechter moet ingaan op het verzoek tot preferentiële toewijs van de gezinswoning, indien het verzoek uitgaat van de echtgenoot die het slachtoffer is van partnergeweld (of een poging daartoe).

Vereist is dat hetzij de andere echtgenoot daartoe werd veroordeeld bij een beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan.

 

Artikel 1447 BW stelt evenwel nog twee andere “gewone” criteria voorop, namelijk:

a)      De maatschappelijke en gezinsbelangen, bijvoorbeeld:

-          Een echtgenoot bij wie de kinderen hun hoofdverblijf houden en indien het verblijf in de gezinswoning in het belang is van de kinderen die dan in hun vertrouwde kader kunnen blijven leven;

-          Het feit dat de gezinswoning bijzonder goed gelegen is voor de uitoefening van het beroep door één der echtgenoten;

-          Het feit dat één der echtgenoten een bijzondere band heeft met het onroerend goed, onder meer omwille van de speciale inspanningen van die echtgenoot (of diens familie) bij de verwerving ervan.

b)     De vergoedings- of vorderingsrechten: het al dan niet in staat zijn om de opleg te betalen, is een belangrijk beoordelingselement.

 

Wat als beide echtgenoten de preferentiële toewijs vragen?

Als beide echtgenoten de preferentiële toewijs vragen, zal de rechtbank onderzoeken welke echtgenoot hierbij een belang heeft.

Problematisch wordt het wanneer komt vast te staan dat beide echtgenoten “gelijkwaardige” belangen hebben. In dat geval zal de rechtbank moeten nagaan welke echtgenoot een “overwegend belang” heeft.

 

De rechtspraak in dit verband is zeer verschillend:

a)      Bepaalde rechtspraak oordeelt dat indien er geen “overwegend belang” te vinden is, de zaak terug naar de notaris dient verwezen te worden en deze laatste het onroerend goed dan maar openbaar dient te verkopen of dient toe te wijzen door middel van lottrekking;

b)     Het Hof van Beroep te Gent oordeelde in het verleden dat wanneer de belangen van beide partijen gelijkwaardig zijn, de woning dient te worden toegekend aan de echtgenoot die bereid is om de grootste financiële inspanning te doen;

c)      Het Hof van Beroep te Brussel meende dat - in geval van gelijkwaardige belangen – de voorkeur diende te worden gegeven aan de “onschuldige” echtgenoot;

d)     Het Hof van Beroep te Antwerpen daarentegen stelde dat bij de beoordeling van de preferentiële toewijs geen rekening mag gehouden worden met eender welk schuldelement dat ter sprake is gekomen of weerhouden werd in de echtscheidingsprocedure.

Aan welke waarde kan de overname van het onroerend goed geschieden?

De waardering van het onroerend goed dient te gebeuren op het ogenblik van de overname zelf.

Tip: indien er een lange(re) periode is verlopen tussen datum schatting van het kwestige onroerend goed en de effectieve overname, heeft de andere echtgenoot (niet-overnemer) het recht om de actualisatie van de overnameprijs te vragen.