De woonstvergoeding na echtscheiding



Sedert het Cassatie-arrest van 4 mei 2001 wordt aangenomen dat een woonstvergoeding principieel verschuldigd is door de (ex-)echtgenoot die alleen in de gemeenschappelijke woning blijft wonen.

 

Elke mede-eigenaar heeft immers het vrij gebruik en genot van de gemeenschappelijke zaak, op voorwaarde dat hij enerzijds de bestemming ervan niet verandert en hij anderzijds zijn mede-eigenaars niet verhindert om er eveneens het gebruik en genot van te hebben (artikel 577-2, §5 BW). Elke mede-eigenaar heeft derhalve minstens het genot van diens deel, hetgeen – als deze het niet zelf gebruikt – kan gewaardeerd worden in geld.

 

Het bedrag van de woonstvergoeding moet overeenstemmen met de normale werkelijke huurwaarde van het goed.

Opmerking: speciale regels gelden voor woningen destijds aangekocht bij een (sociale) huisvestingsmaatschappij.

 

Het recht op een woonstvergoeding ontstaat vanaf het ontstaan van de post-communautaire onverdeeldheid, zijnde vanaf de datum der ontbinding van de huwgemeenschap.

 

De woonstvergoeding is verschuldigd zolang de bezetting door een (ex-)echtgenoot duurt en – indien de echtgenoot-bewoner de woning overneemt – tot de datum waarop de oplegsom wordt gekweten.

 

Wat met de woonstvergoeding als de (ex-)echtgenoot-bewoner de gemeenschappelijke woning plots verlaat?

Vaak wordt in voorkomend geval gesteld dat er geen woonstvergoeding meer verschuldigd zou zijn, nu er geen sprake meer is van een exclusief gebruik door één der echtgenoten.

Deze stelling dient genuanceerd te worden.

Indien het vroegtijdig verlaten van de woning ertoe leidt dat de andere echtgenoot nog steeds het genot niet kan hebben (omwille van het gedrag van de andere echtgenoot), moet wél een woonstvergoeding worden toegekend.

Denk bijvoorbeeld aan de hypothese waarin een echtgenoot-bewoner plots de gemeenschappelijke woning verlaat en dit zonder de andere echtgenoot te verwittigen, laat staan de sleutels ter beschikking te stellen. Dergelijk gedrag ligt aan de oorzaak van het moeten ontberen van het genot van de zaak door de andere echtgenoot die noch een huur noch een woonstvergoeding ontvangt.

 

Hoe zit dat nu precies met de relatie tussen onderhoudsgeld en woonstvergoeding?

De rechtsgrond voor het bekomen van een woonstvergoeding ligt vervat in artikel 577-2 BW, hetwelk stipuleert dat iedere mede-eigenaar recht heeft op het gebruik en genot van de zaak. De mede-eigenaar die het gebruik niet heeft, moet minimaal (voor zijn/haar deel) het genot hebben, zijnde een vergoeding gelijk aan (de helft van) de opbrengstwaarde.

 

In artikel 577-2 BW worden twee uitzonderingen voorzien, namelijk ofwel deze voortvloeiend uit een wettelijke bepaling, ofwel deze resulterend uit een afwijkende (impliciete of expliciete) overeenkomst tussen partijen.

 

De enige mogelijke wettelijke uitzondering ligt vervat in de wederkerige wettelijke bijstandsplicht tussen echtgenoten (artikel 213 BW).

De echtgenoten moeten overeenkomen wie in de gezinswoning blijft wonen. Komen zij niet overeen, dan zal de rechtbank moeten beslissen.

 

De woonstvergoeding is derhalve principieel verschuldigd, doch kan worden afgeschaft of verminderd indien de rechter die voorlopige maatregelen heeft opgelegd, expliciet heeft gesteld dat de onderhoudsplichtige echtgenoot aan zijn bijstandsplicht tegenover zijn partner in natura moest voldoen door de woning ter beschikking te stellen.

De uitspraak van de rechtbank komt op die manier in de plaats van de overeenkomst die partijen dienaangaande hadden moeten sluiten en kan als zo de bijstandsplicht invullen zonder zijn bevoegdheden te overschrijven.