Dringende en voorlopige maatregelen

Het nieuwe artikel 223 BW luidt als volgt:

 “Indien een der echtgenoten grovelijk zijn plicht verzuimt, beveelt de familierechtbank, op verzoek van de andere echtgenoot, dringende maatregelen, volgens het bepaalde in de artikelen 1253 ter/4 tot 1253 ter/6 van het Gerechtelijk Wetboek.

Hetzelfde geschiedt op verzoek van een der echtgenoten, indien de verstandhouding tussen hen ernstig verstoord is.”

 

Dringend karakter

Het dringend karakter van de maatregelen strekt ertoe te verhinderen dat de vermogensrechtelijke toestand van de echtgenoten hetzij in het gedrang wordt gebracht, hetzij verslechtert.

De familierechtbank (voorheen de Vrederechter) is vanaf 01 september 2014 bevoegd bij grof plichtsverzuim of bij ernstige verstoring van de verstandhouding tussen echtgenoten.

Het grof plichtsverzuim zal in hoofdzaak verband houden met de persoonlijke verplichtingen tussen echtgenoten, zoals de hulpverplichting vervat in artikel 213 BW.

De verstoorde verstandhouding tussen echtgenoten zal meestal worden afgeleid uit een periode van feitelijke scheiding, hetgeen vervolgens kan leiden tot vermogensrechtelijke problemen.

 

Welke maatregelen

De maatregelen die door de familierechtbank kunnen genomen worden, staan opgesomd in het nieuwe artikel 1253ter/5 Ger. W. en luiden als volgt:

  • Alle maatregelen betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag, de organisatie van de verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact bevelen of aanpassen;
  • De uitkeringen tot levensonderhoud begroten, wijzigen of afschaffen;
  • De afzonderlijke verblijfplaats van de echtgenoten of wettelijk samenwonenden vaststellen;
  • Aan een der echtgenoten verbod opleggen om, voor de tijd die bepaalt, eigen of gemeenschappelijke roerende of onroerende goederen, zonder de instemming van de andere echtgenoot te vervreemden, te hypothekeren of te verpanden; de rechtbank kan de verplaatsing van meubelen verbieden of het persoonlijk gebruik ervan aan een van beide echtgenoten toewijzen;
  • De echtgenoot die de roerende goederen onder zich heeft, verplichten zich borg te stellen of voldoende solvabiliteit aan te tonen;
  • Gebruik maken van dezelfde bevoegdheden als hem bij artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek zijn toegekend;
  • De echtelijke verblijfplaats van de echtgenoten vaststellen indien zij het daar niet over eens zijn.

Wat betreft de afzonderlijke verblijfplaats der echtgenoten, is het interessant om te wijzen op het erfrechtelijk aspect ervan.

Artikel 915bis §3, eerste lid BW voorziet immers dat de langstlevende echtgenoot bij testament kan onterfd worden, op voorwaarde dat de echtgenoten op de dag van het overlijden van de testator:

  • Sinds meer dan zes maanden feitelijk gescheiden leefden, én:
  • De testator vóór zijn overlijden bij een gerechtelijke akte als eiser of als verwerende partij, een afzonderlijke verblijfplaats heeft gevorderd en voor zover de echtgenoten na die akte niet opnieuw zijn gaan samenwonen.

Wat betreft de toekenning van een onderhoudsgeld, dient in het kader van een procedure ex artikel 223 BW (gebaseerd op de ernstige verstoring in de echtelijke verstandhouding) geen rekening gehouden te worden met het schuldcriterium. Dit betekent echter niet dat de rechtbank met het schuldcriterium geen rekening zou mogen houden.

De alimentatie in het kader van een procedure op basis van artikel 223 BW, steunt op de artikelen 213 en 221 BW, dewelke evenwel in se gebaseerd zijn op het schuldcriterium.

 

Wijziging of intrekking van de maatregelen

De echtgenoten kunnen - overeenkomstig artikel 1253quater, e Ger. W. - “te allen tijde” de wijziging of de intrekking van de maatregelen vorderen en zij behoeven daarvoor geen “nieuwe elementen” op straffe van onontvankelijkheid. Er zijn derhalve geen gewijzigde omstandigheden vereist.

 

In de praktijk: Desalniettemin vereist een overwegende strekking in de rechtspraak dat er toch sprake moet zijn van nieuwe, gewijzigde omstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens de vorige uitspraak.

Ergens is dit logisch, nu echtgenoten in het tegenovergestelde geval de procedure steeds opnieuw zouden kunnen ‘overdoen’.