Feitelijk samenwonenden

 

De verdeling van de goederen

Wat de goederen betreft, is ten aanzien van feitelijk samenwonenden het gemeen recht van toepassing. Dit betekent:

a)      Elke partner heeft en behoudt het exclusieve eigendomsrecht van alle goederen die hij vóór de aanvang van de samenwoning bezat of die hij – tijdens het samenwonen – in eigen naam verkrijgt;

b)     Goederen door beide samenwonenden aangekocht of deze verkregen tijdens het samenwonen en waarvan niet kan bewezen worden dat zij aan de ene of de andere partner exclusief toebehoren, worden geacht onverdeeld te zijn tussen beide partners, elk voor de helft.

Het bewijs van het eigendomsrecht dient te worden geleverd conform het gemeen recht:

a)      Voor onroerende goederen volstaat in principe de authentieke akte houdende de eigendomsoverdracht.

Nuance: tegenbewijs is mogelijk, vermits de authenticiteit zich niet uitstrekt tot de oprechtheid van de verklaringen van partijen.

b)     Voor roerende goederen zijn alle bewijsmiddelen toegelaten (facturen, garantiebewijzen), inclusief getuigen en vermoedens.

De persoon die in geschriften wordt aangeduid, wordt geacht de contractspartij te zijn en derhalve de eigenaar van het goed. De andere partner kan evenwel steeds het tegendeel bewijzen.

De feitenrechter oordeelt soeverein. De rechtspraak in dit verband is dan ook zeer divers.

 

Samenwonenden kunnen de (soms zware) bewijslast sterk milderen door het opstellen van een notariële boedelbeschrijving, ofwel een onderhandse die dan wel moet geregistreerd worden teneinde vaste datum te bekomen.

Bezit geldt als titel?

Vaak begint de eigendomsbetwisting pas indien de partners reeds uit elkaar zijn. De achtergebleven partner, bezitter van de roerende goederen, wordt beschermd door artikel 2279 BW dat (onder bepaalde voorwaarden) een eigendomsvermoeden creëert (‘bezit geldt als titel’).

 

Onverdeelde goederen tussen de samenwonenden – rechten en plichten

Goederen waarvan het exclusieve eigendomsrecht noch door de ene noch door de andere partner werd bewezen, worden geacht aan de samenwonenden in onverdeeldheid toe te behoren.

Hetzelfde geldt voor de goederen die zij gezamenlijk hebben verworven, alsook deze door één van hen verworven, doch op naam van beiden.

 

Indien de partners geen overeenkomst omtrent hun goederen hebben uitgewerkt, gaat het om een gewone onverdeeldheid, die beheerst wordt door het gemeen recht (artikel 577-2 BW). Dit houdt onder andere in:

a)      Dat de onverdeelde aandelen vermoed worden gelijk te zijn;

b)     Dat elke mede-eigenaar moet bijdragen in de nuttige uitgaven tot behoud en onderhoud van het goed en in de kosten van beheer, de belastingen en andere lasten naar verhouding van zijn aandeel;

c)      Dat elke mede-eigenaar recht heeft op gebruik en genot van het onverdeeld goed, dit overeenkomstig zijn bestemming en in zoverre zulks met het recht van zijn deelgenoten verenigbaar is;

d)     Dat daden van bewaring en van voorlopig beheer door één mede-eigenaar alleen kunnen worden verricht, terwijl andere daden van beheer en daden van beschikking - om geldig te zijn – met medewerking van beide partners moet geschieden;

e)      Dat niemand kan gedwongen worden om in onverdeeldheid te blijven (artikel 815 BW).

 

Dringende maatregelen

Zijn dringende maatregelen mogelijk bij feitelijk samenwonenden?

Wanneer een geschil het gevolg is van de beëindiging van een feitelijke samenwoning, is de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om dringende maatregelen te bevelen.

Opmerking: zoals reeds gezegd vallen geschillen tussen (en aangaande) feitelijke samenwoners niet onder de bevoegdheid van de familierechtbank.

 

In het kader van deze kort geding procedure dient de zaak ‘spoedeisend’ te zijn, bij gebreke waarvan de vordering zal afgewezen worden.

 

De meest courante dringende maatregelen betreffen:

a)      De uithuiszetting met verontrustingsverbod

Ofschoon in geval van onenigheid tussen feitelijk samenwonenden die samen een woning huren, de contractuele medehuur niet toelaat om één van de partners definitief uit de woning uit te drijven, beslist de rechtspraak vaak anders.

b)     Woonstvergoeding

Dit wordt hieronder besproken.

c)      Onderhoudsbijdrage

Op de vraag of feitelijke samenwoners aanspraak kunnen maken op een onderhoudsuitkering, kan geen éénduidig antwoord gegeven worden.

 

Uitgangspunt is dat ieder recht dat een samenwonende partner ten aanzien van zijn partner zou kunnen laten gelden, gebaseerd is op een natuurlijke verbintenis die werd omgezet in een burgerrechtelijke en dit door de vrijwillige uitvoering ervan.

 

Soms wordt ook een beroep gedaan op het beginsel van de goede trouw en dit van ‘de nodige omzichtigheid’ zoals vervat in de artikelen 1382-1383 BW.

 

Praktijkvoorbeeld: vonnis Vredegerecht te Antwerpen (7de kanton) d.d. 29 juni 2004

In voormeld vonnis werd een maandelijkse onderhoudsuitkering voorzien, nodig om de economisch zwakkere partner toe te laten zich in een nieuwe startsituatie te plaatsen en derhalve economische stabiliteit te verwerven.

Het ging om een geval waarin een partner op zeer jonge leeftijd was gaan samenwonen en nooit in een eigen inkomen had (moeten) voorzien. De Vrederechter oordeelde dan ook dat de andere partner de economisch zwakkere partner niet van het ene op het andere moment aan zijn lot kon overlaten.

d)     Schadevergoeding

De verbreking van de feitelijke samenwoning op zich kan niet worden beschouwd als een fout in de zin van artikel 1382 BW.

 

Echter, indien de verbreking van de samenwoning gepaard gaat met bepaalde foutieve gedragingen van één der partners, zou diens burgerrechtelijke aansprakelijkheid in het gedrang kunnen komen.

Het is aan de andere partner om het foutief gedrag van de partner te bewijzen, de schade die daardoor geleden werd en het causaal verband tussen beide.

 

Recht op vergoeding

Zijn er rechten op vergoeding na einde samenwoning?

a)      Woonstvergoeding

Wanneer de gezinswoning aan de samenwonenden in onverdeeldheid toebehoort en na het einde van de samenwoning één van de partners in die gezinswoning is blijven wonen, is vanaf datum feitelijke scheiding door die partner een woonstvergoding verschuldigd aan de andere partner (artikel 577-2 §5 BW).

b)     (Gebruiks)vergoedingen

Onverdeelde roerende goederen die door één der partners in gebruik zijn, geven aanleiding tot een vergoeding aan de andere partner (bijvoorbeeld een personenwagen, de inboedel, enzovoort).

 

Naast gebruiksvergoedingen, is het mogelijk dat de partners met betrekking tot de onverdeelde goederen bepaalde uitgaven hebben gedaan, waarvan zij de helft kunnen terugvorderen.

 

Wat met tijdens de samenwoning betaalde schulden of geleverde prestaties?

In geval van een duurzame feitelijke samenwoning kan de beëindiging tot onbillijke situaties leiden, zeker in het geval waarin één der partners – professioneel gezien – aanzienlijke stappen achteruit heeft gezet teneinde voor de huishouding en/of voor de kinderen te kunnen zorgen.

De andere partner heeft in dat geval zijn/haar vermogen zien aangroeien, mede nu alle inkomsten hem/haar eigen zijn.

 

Een andere veelvoorkomende situatie, is deze waarin het inkomen van één der partners (hoofdzakelijk) wordt aangewend om de lasten van de huishouding te voldoen, terwijl het inkomen van de andere partner dan wordt besteed aan allerlei (kapitaal)goederen.

 

Vaak houdt slechts één der partners zich bezig met het financiële aspect van de samenwoning en laat deze hierbij systematisch goederen die verworven werden met de inkomsten van beiden, op diens naam alleen zetten.

 

De gedupeerde partner zal niet slagen in diens bewijslast omtrent de eigendom der goederen, maar via bepaalde technieken kan aan deze partner vooralsnog een vergoeding worden toegekend.

Bij wijze van voorbeeld kunnen de volgende technieken vermeld worden: de natuurlijke verbintenis, de lening en de vermogensvermeerdering zonder oorzaak.

 

Wat met het huurcontract  betreffende de gezinswoning na einde samenwoning?

Wanneer samenwonenden een huurcontract onderschrijven, worden zij beschouwd als ‘contractuele medehuurders’, hetgeen tot gevolg heeft dat elke medehuurder slechts gehouden kan worden tot de betaling van zijn deel van de huurprijs, tenzij contractueel anders werd bedongen.

 

Dit betekent ook dat wanneer één der partners de gehuurde woning verlaat en deze vanwege de verhuurder vrijstelling bekomt van zijn huurverplichtingen, zoals de betaling van huur, de andere – achtergebleven partner – niet verplicht is om de volledige huurprijs te betalen.

De verhuurder kan immers niet éénzijdig de verbintenissen van de huurders verzwaren. De achtergebleven partner is enkel tot zijn deel gehouden.

 

Echter, wanneer deze partner vrijwillig de gehele huurprijs betaalt, zal hij de helft ervan niet meer kunnen terugvorderen op de ex-partner.

 

Het feit dat de verbintenissen van de partners ‘deelbaar’ zijn, impliceert eveneens dat de verhuurder van elk van de partners-huurders een verbrekingsvergoeding kan eisen en dit zonder enige weerslag op het genot van de overblijvende medehuurder.

 

Belangrijk: feitelijke samenwoners die uit elkaar gaan, dienen de instemming van de verhuurder te bekomen, opdat de overname van het huurcontract door de overblijvende partner probleemloos zou kunnen geschieden.