Hulpverplichting tussen echtgenoten



Wanneer echtgenoten tijdens hun huwelijk feitelijk gescheiden leven, ontstaat er soms frustratie wanneer één van hen aan de andere een onderhoudsgeld dient te betalen, niettegenstaande deze laatste “genoeg verdient” of “dat niet nodig heeft”.

Onderhoudsuitkeringen kunnen in die omstandigheden desalniettemin worden toegekend, ongeacht of de vragende echtgenoot al dan niet “behoeftig” is in de letterlijke betekenis van het woord.

De rechtsgrond voor dergelijke onderhoudsbijdragen situeert zich in enkele regels van het primair huwelijksvermogensrecht.

Echtgenoten zijn elkaar tijdens het huwelijk hulp verschuldigd en dienen bij te dragen in de lasten van het huwelijk (artikelen 213 en 221 BW).

Deze hulpverplichting wordt in principe in natura uitgevoerd in de echtelijke verblijfplaats, doch wanneer zulks niet mogelijk is (bijvoorbeeld omwille van feitelijke scheiding), wordt deze hulpverplichting omgezet in een onderhoudsuitkering.

Artikel 221 BW bepaalt dienaangaande dat ‘iedere echtgenoot naar zijn vermogen dient bij te dragen in de lasten van het huwelijk’.

De lasten van het huwelijk omvatten als het ware alle kosten van het huwelijks- en gezinsleven. Deze betreffen niet enkel de kosten gemaakt voor het persoonlijk onderhoud van de echtgenoten, maar eveneens deze gemaakt voor het onderhoud en de opvoeding van de kinderen.

Praktijkgeval: Vaak wordt de vraag gesteld in hoeverre de kosten van aankoop van de gezinswoning (zoals o.a. een hypothecaire lening) kunnen beschouwd worden als zijnde lasten van het huwelijk.

Het antwoord op deze vraag heeft lang het voorwerp uitgemaakt van een controverse en tot op heden pogen sommige rechtspractici vooralsnog de stelling te verdedigen dat de interesten van een hypothecaire lening enerzijds pure woonkosten uitmaken, terwijl de terugbetaling van het kapitaal anderzijds een investering zou zijn (en derhalve geen lasten van het huwelijk).

Het Hof van Cassatie echter heeft in haar arrest van 22 april 1976 een definitief standpunt ingenomen en was van oordeel dat de verplichting voor iedere echtgenoot om bij te dragen in de lasten van het huwelijk zich uitstrekt tot alle lasten die voortvloeien uit de aankoop, het onderhoud en de instandhouding van de gemeenschappelijke gezinswoning.

Echter: werd de gezinswoning door slechts één echtgenoot verworven, dan zijn enkel de interesten op het geleende kapitaal te beschouwen als “lasten van het huwelijk”.

De bepaling dat iedere echtgenoot “naar zijn vermogen” dient bij te dragen, impliceert dat elke echtgenoot moet bijdragen naar diens “mogelijkheden”, zijnde de inkomsten uit kapitaal en arbeid, alsook de geleverde prestaties in natura (bijvoorbeeld het vervullen van huishoudelijke taken).

Bij het invullen van  de hulp- en bijdrageplicht zal de rechtbank evenzeer rekening houden met actiefbestanddelen die zich in het vermogen van een rechtspersoon bevinden waarover de bijdrageplichtige zeggenschap heeft.

De rechter beschikt over een waaier aan mogelijkheden teneinde de informatie te bekomen die hem/haar moet toelaten om de financiële toestand van de echtgenoten te beoordelen.

Feitelijke scheiding en onderhoudsgeld      

De vordering tot onderhoudsuitkering wordt in de praktijk veelal ingesteld tijdens een periode van feitelijke scheiding, tijdens dewelke de uitvoering van de bijdrageplicht meestal wordt gestaakt.

Let wel: het afdwingen van de hulp- en bijdrageplicht is gesteund op het ‘schuldcriterium’, hetgeen impliceert dat de echtgenoot die een onderhoudsvordering instelt, de bewijslast draagt van het feit dat de andere echtgenoot de feitelijke scheiding heeft doen ontstaan.

Tip: zodra een echtgenoot de echtelijke woonst heeft verlaten, is het nuttig om hiervan proces-verbaal te laten opstellen. Echtgenoten zijn immers wettelijk gezien tot samenwoning verplicht, zodat de “verlaten” echtgenoot gerechtigd is om de vaststelling van het verlaten van de echtelijke woonst te laten rapporteren.

Indien de feitelijke scheiding op het ogenblik van het instellen van de vordering reeds enige tijd duurt, moet de vragende echtgenoot bewijzen dat het voortduren van de feitelijke scheiding ten laste valt van de andere echtgenoot.

De rechtspraak in dit verband is evenwel uiteenlopend. Bij wijze van voorbeeld:

Rechtspraak Hof van Beroep te Gent d.d. 18 maart 2004:

Het Hof oordeelde dat in geval van feitelijke scheiding, de echtgenoot aan wie (minstens) het voortduren ervan te wijten is, geen aanspraak kan maken op enig onderhoudsgeld. Het Hof stelde verder dat de aanspraak op een onderhoudsuitkering vervalt vanaf de datum van het proces-verbaal van vaststelling van overspel.

Rechtspraak Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 5 oktober 2005:

Het Hof van Beroep te Antwerpen daarentegen, meende dat de beslissing die voorhoudt dat de verbintenissen voortvloeiende uit het huwelijk, in het bijzonder het betalen van onderhoudsgeld, niet meer zouden moeten worden nageleefd enkel op grond van het feit dat de andere echtgenoot is gaan samenwonen met een andere partner, een miskenning inhoudt van art. 213 BW..

Rechtspraak Hof van Cassatie d.d. 22 december 2006

Het Hof oordeelde dat degene die ten gevolge van een feitelijke scheiding een onderhoudsgeld vordert, niet moet bewijzen dat de feitelijke scheiding niet aan hem of haar te wijten is, doch anderzijds, teneinde de vordering te doen afwijzen, de verwerende partij kan bewijzen dat de feitelijke scheiding geheel of ten dele aan de eisende partij te wijten is.

Zodra het huwelijk ophoudt te bestaan, eindigt eveneens de hulp- en bijdrageplicht.

Opmerking: in geval van echtscheiding houden voormelde verplichtingen op zodra het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde is getreden.