Vereffening / verdeling onder het wettelijk stelsel

 

Post-communautaire onverdeeldheid

De eerste en belangrijkste vereffeningsverrichting bestaat erin om de te verdelen massa op het ogenblik van de ontbinding vast te stellen.

Vanaf de dag van de ontbinding van het gemeenschappelijk vermogen, vormen de goederen waaruit het was samengesteld een onverdeeldheid van gemeen recht, waarop – tot aan de definitieve vereffening en verdeling - de regels van de mede-eigendom (artikel 577-2 BW) van toepassing zijn. Dit noemt men de ‘post-communautaire onverdeeldheid’.

 

De bestanddelen van deze onverdeeldheid vormen vanaf het ogenblik van de ontbinding van de huwgemeenschap een “gesloten” massa in plaats van een open massa zoals tijdens het huwelijk.

 

Het actief van deze onverdeeldheid wordt gevormd door alle goederen die deel uitmaakten van het gemeenschappelijk vermogen op het ogenblik van de ontbinding. Omgekeerd heeft het passief betrekking op alle gemeenschappelijke schulden die nog voorhanden zijn op het ogenblik van de ontbinding.

 

Ofschoon een “gesloten” massa, gaat het niet om een “dode” massa. De post-communautaire onverdeeldheid breidt uit met de vruchten en opbrengsten van de gemeenschappelijke goederen, terwijl er ongetwijfeld ook kosten moeten gemaakt worden.

 

Opmerking: vanaf datum ontbinding van het huwelijksstelsel, vallen de inkomsten der echtgenoten derhalve buiten de te vereffenen en verdelen boedel.

 

Retroactieve werking

De ontbinding van het stelsel werkt retroactief terug naar de datum waarop de eerste vordering werd ingesteld en het is vanaf dan dat de post-communautaire onverdeeldheid ontstaat.

Uitzonderlijk zal de ontbinding terugwerken tot de datum der feitelijke scheiding.

Maar: deze “vervroegde” retroactieve werking zal niet baten in het (bekende) geval dat één der echtgenoten voor datum eerste vordering nog snel een fiks bedrag van een bankrekening afhaalt! Afhalingen staan immers niet gelijk met de ‘goederen verworven of schulden aangegaan’ voor datum instellen 1ste vordering/datum feitelijke scheiding.

 

De retroactieve werking betreft louter de samenstelling van de te verdelen boedel en heeft geen invloed op de waardering ervan. De waardering van de boedel geschiedt op de datum van de effectieve verdeling ervan.

 

Wat met de aankoop van een onroerend goed tijdens de echtscheidingsprocedure?

 

Aflijnen van de vermogens

Om te weten te komen welke activa en passiva tot de te verdelen boedel behoren, dient men het statuut van alle goederen en schulden op het ogenblik van de ontbinding van het huwelijk na te gaan en dit aan de hand van de wettelijke principes ter zake.   

 

In het wettelijk stelsel bestaat er een algemeen vermoeden van gemeenschap en dit zowel betreffende de activa als de passiva.

Praktisch gezien moet men dus nagaan welke goederen en schulden eigen zijn aan één der echtgenoten.

 

Hieronder volgt een korte opsomming van de activa en passiva die volgens het Burgerlijk Wetboek gemeenschappelijk, dan wel eigen zijn.

De activa

a) Gemeenschappelijke activa

De (beroeps)inkomsten en alle goederen die met deze inkomsten ten bezwarende titel werden verworven.

De inkomsten vallen vanaf hun ontstaan (verschuldigd zijn) in de gemeenschap.

Zijn tevens gemeenschappelijk, de ‘vruchten’, ook van eigen goederen, zoals bijvoorbeeld de interesten verworven op een eigen spaarrekening die dateert van voor het huwelijk en onveranderlijk van samenstelling is gebleven.

Ook schenkingen en legaten aan beide echtgenoten gedaan, zijn gemeenschappelijk.

 

Tot slot zijn gemeenschappelijk: alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij ingevolge enige wetsbepaling eigen zouden zijn.

Wat met de door een vennootschap gereserveerde winst?

Deze valt niet per definitie in de gemeenschap, nu er slechts sprake is van “vruchten” indien deze daadwerkelijk zijn uitgekeerd.

 

b) Eigen activa

Tenzij het huwelijkscontract van de echtgenoten ervan zou afwijken, zijn de volgende goederen ‘eigen’ aan de echtgenoten:

- Goederen eigen omwille van hun oorsprong. Het gaat om alle lasten of baten daterend van vóór het ontstaan van het huwelijksstelsel.

Wat met (onroerende) goederen die door de toekomstige echtgenoten in onverdeeldheid werden aangekocht vóór het huwelijk?

Deze goederen blijven eigen, elk voor hun deel. De datum waarop de eigendomsoverdracht geschiedt, is determinerend.

- Goederen ‘om niet’ verkregen tijdens het huwelijksstelsel.

Het gaat om goederen die (één van) de echtgenoten uit vrijgevigheid hebben gekregen, met name via schenking of uit een erfenis (wettelijke erfopvolging of via testament).

Wat als geschonken of geërfde gelden door de huwgemeenschap werden aangewend?

In de praktijk leidt dit vaak tot discussies. Mits aan een aantal voorwaarden voldaan is, zal de begiftigde echtgenoot deze geldsom als eigen mogen terugnemen of een vergoeding van de huwgemeenschap ontvangen.

- Goederen eigen omwille van hun aard (opgesomd in de artikelen 1400 en 1401 BW). Deze groep valt uiteen in twee groepen, zijnde:

De strikt persoonlijke goederen (bijvoorbeeld recht op herstel van persoonlijke, lichamelijke of morele schade en de lidmaatschapsrechten verbonden aan gemeenschappelijke aandelen op naam);

De accessoria: deze staan opgesomd in artikel 1400 BW. Het gaat bijvoorbeeld om goederen verkregen door zaakvervanging, belegging of wederbelegging van eigen goederen.

Aankoop onroerend goed – onroerende (weder)belegging

Er is sprake van onroerende (weder)belegging door een echtgenoot, wanneer deze een onroerend goed aankoopt, ofwel met de opbrengst van de verkoop va een eigen onroerend goed, ofwel met eigen gelden.

Deze onroerende (weder)belegging zal pas geldig zijn, op voorwaarde dat in de authentieke akte van aankoop:

- Een verklaring wordt opgenomen dat de aankoop geschiedt om de echtgenoot-koper tot wederbelegging te dienen;

- Een verklaring wordt opgenomen dat de aankoop ‘voor meer dan de helft’ is betaald uit de opbrengst van de vervreemding van een eigen onroerend goed of met gelden waarvan het eigen karakter voldoende is aangetoond.

Belangrijk is dat de oorsprong van de voor de wederbelegging gebruikte gelden moet weergegeven worden.

Na de ontbinding van het stelsel zal de echtgenoot die een eigen onroerend goed heeft verworven op basis van wederbelegging, aan de gemeenschap een vergoeding verschuldigd zijn, berekend op basis van artikel 1435 BW.

Aankoop onroerend goed – vervroegde onroerende wederbelegging

De vervroegde onroerende wederbelegging bereikt men door eerst een onroerend goed aan te kopen met gemeenschappelijke gelden, om nadien een eigen goed te vervreemden en het gebruikte gemeenschapsgeld geheel of gedeeltelijk terug te betalen.

Ook hier geldt een dubbele voorwaarde:

- In de authentieke akte van aankoop dient een uitdrukkelijke verklaring van vervroegde wederbelegging gedaan te worden;

- Binnen de twee jaar na datum akte moet meer dan de helft van het bedrag dat uit het gemeenschappelijk vermogen genomen werd, terugbetaald zijn.

Toestemming echtgenoot vereist?

De belangrijkste strekking in de rechtsleer stelt dat – vermits gemeenschappelijke gelden worden aangewend voor de vervroegde wederbelegging – de toestemming van de andere echtgenoot conform artikel 1418 BW wel degelijk vereist is.

 

c)      Bijzondere probleemgevallen

Wanneer is een handelszaak eigen dan wel gemeenschappelijk?

Is het cliënteel van een vrij beroep eigen dan wel gemeenschappelijk?

 

De passiva

a)      De gemeenschappelijke passiva

De gemeenschappelijke schulden worden door de wet – ten exemplatieve titel – opgesomd:

1)      Schulden die samen door de echtgenoten werden aangegaan;

2)      Schulden aangegaan ten behoeve van de huishouding of de kinderen (op voorwaarde dat deze schulden niet buitensporig zijn);

3)      Schulden aangegaan in het belang van het gemeenschappelijk vermogen;

4)      De interesten die een bijzaak vormen van de eigen schulden;

5)      De onderhoudsschulden ten aanzien van descendenten (ook van buiten het huwelijk).

Wat met de alimentatie die betaald wordt aan een ex?

Deze schuld is een eigen schuld, vermits de verplichting ontstaan is vóór het huwelijk.

Wat met onderhoudsgelden die betaald worden aan de ouders en grootouders?

Deze worden – mede in het licht van de artikelen 205, eerste lid en 206 BW -bestempeld als gemeenschappelijke schulden.

De verplichting van een echtgenoot om in het onderhoud van zijn schoonouder(s) te voorzien, houdt onder andere op wanneer de schoonmoeder een tweede huwelijk aangaat.

 

b)      De eigen passiva

Net als de ‘eigen activa’, zijn de volgende schulden eigen:

1)      Schulden eigen omwille van hun oorsprong;

2)      Schulden eigen omwille van hun aard.

De wet somt in de artikelen 1406 en 1407 BW op welke schulden onder voormelde categorieën ressorteren.

c)      Rechten van de schuldeisers

Het is schuldeisers toegestaan om tussen te komen in de vereffening-verdeling.

Wat betreft de verhaalbaarheid van de schulden van de echtgenoten of van één van hen, moet het volgende onderscheid worden gemaakt:

1)      Eigen schulden: deze zijn in principe enkel verhaalbaar op het eigen vermogen van de schuldenaar (artikel 1409 BW).

Uitzonderingen: deze staan opgesomd in artikel 1410-1412 BW. Het gaat bijvoorbeeld om schuldvorderingen uit een onrechtmatige daad door één der echtgenoten begaan. Deze schuldvorderingen kunnen op het gemeenschappelijk vermogen verhaald worden, doch slechts ten belope van de helft van de netto-baten van de betrokken echtgenoot.

2)      Door de echtgenoten samen aangegane schulden: schuldeisers zullen in principe zowel het gemeenschappelijk vermogen als de eigen vermogens van de echtgenoten kunnen aanspreken.

3)      Gemeenschappelijke schulden (al dan niet door beide echtgenoten samen aangegaan):schuldeisers zullen in principe zowel het gemeenschappelijk vermogen als de eigen vermogens van de echtgenoten kunnen aanspreken.

In bepaalde gevallen kan het eigen vermogen van de niet-contracterende echtgenoot niet worden aangesproken. Het gaat om onder andere de volgende schulden:

-          Buitensporige schulden voor de huishouding en de opvoeding van de kinderen;

-          Interesten van eigen schulden;

-          Beroepsschulden.

Opmerking: in geval van faillissement van de ene echtgenoot kunnen de eigen goederen van de andere echtgenoot niet verkocht worden door de curator.

4)      Fiscale schulden: deze schulden zijn principieel verhaalbaar op de drie vermogens, tenzij de echtgenoot van de schuldenaar één van de drie volgende mogelijkheden bewijst:

-          De echtgenoot bezat de goederen reeds vóór het huwelijk;

-          De goederen komen voort uit een erfenis of schenking afkomstig van een andere persoon dan van de echtgenoot-schuldenaar;

-          De goederen werden verworven met de inkomsten van de vorige 2 categorieën goederen of met inkomsten die eigen zijn op grond van het huwelijksvermogensstelsel.

 

Belangrijk: de fiscus kan de andere echtgenoot niet meer aanspreken voor belastingen verbonden aan het inkomen dat verworven werd vanaf het tweede kalenderjaar na de feitelijke scheiding.

 

Opstellen van de vergoedingsrekeningen

Onder vergoeding verstaat men het bedrag dat nodig is voor het herstel van het evenwicht. Meer bepaald zal een vergoeding verschuldigd zijn iedere keer de huwgemeenschap ‘bankier’ heeft gespeeld voor een eigen patrimonium van één der echtgenoten of omgekeerd.

 

De bewijsregeling is vastgelegd in artikel 1399 BW.

 

Wat als eigen gelden voor het gemeenschappelijk vermogen werden aangewend?

In dat geval zal het eigen vermogen van de betrokken echtgenoot een vergoeding vragen van het gemeenschappelijk vermogen.

De bewijslast is hier evenwel streng, temeer er geen vermoeden geldt dat eigen goederen die zich bij de ontbinding van het stelsel niet meer in het eigen vermogen bevinden, zijn aangewend voor de huwgemeenschap.

De vragende echtgenoot zal dus het bewijs moeten leveren van:

a)      Het feit dat er eigen gelden waren;

b)     Dat feit dat deze gelden effectief door het gemeenschappelijk vermogen werden opgeslorpt of in het voordeel ervan werden aangewend.

Bepaalde rechtspraak vraagt het bewijs dat de huwgemeenschap voordeel heeft gehaald uit de eigen gelden, terwijl andere rechtspraak oordeelt dat de loutere vermenging van de eigen gelden met deze van de huwgemeenschap een (weerlegbaar) vermoeden schept dat er daadwerkelijk een vergoeding verschuldigd is.

 

Hoeveel bedraagt de vergoeding?

Als basisregel geldt dat de vergoeding niet kleiner mag zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. De vergoeding moet dus minstens gelijk zijn aan het numeriek bedrag van de uitgegeven som.

Belangrijk: er wordt geen rekening gehouden met de waardevermindering van een goed!

Clausules in een huwelijkscontract kunnen deze nadelige regeling uitschakelen.

 

Op de basisregel bestaat één belangrijke uitzondering, namelijk het geval waarin de gelden hebben gediend tot het verkrijgen, in stand houden of het verbeteren van een (onroerend) goed. In dat geval is de vergoeding gelijk aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed.

 

Artikel 1435 BW onderscheidt verder drie gevallen:

a)      Het verkregen, in stand gehouden of verbeterd goed bevindt zich nog in het vergoedingsplichtige vermogen op het ogenblik van de ontbinding: de vergoeding is gelijk aan de waarde of waardevermeerdering van het goed op het ogenblik van de ontbinding.

 

Praktijkvoorbeeld: een vrouw bezit een eigen grond (uit de erfenis van haar ouders). Samen met haar echtgenoot bouwt zij tijdens het huwelijk een woning op die grond, gespijsd met gemeenschapsgelden.

 

De woning zal de vrouw eigen zijn, nu deze woning het statuut van de grond (eigen) volgt en het gemeenschappelijk vermogen zal dus een vergoeding ontvangen van het eigen vermogen van de vrouw.

Men zal dan een schatting moeten doen van de waarde van de grond indien er niet op gebouwd zou geweest zijn enerzijds en de waarde van de grond plus de woning anderzijds en dit op datum ontbinding (= datum eerste vordering).

 

Vervolgens moet men de waarde van de “onbebouwde” grond aftrekken van de globale waarde. Dit bedrag zal door de vrouw (in theorie) aan de gemeenschap moeten voldaan worden.

b)     Het verkregen, in stand gehouden of verbeterd goed is vóór datum ontbinding van het stelsel vervreemd en werd niet vervangen door een ander goed: de vergoeding is gelijk aan de waarde of waardevermeerdering van het goed op het ogenblik van de vervreemding.

 

Praktijkvoorbeeld: echtgenoten kopen tijdens het huwelijk een (onroerend) goed aan voor een bedrag van 100.000,00 EUR. Door de vrouw werd hieraan een bedrag van 25.000,00 EUR aan eigen gelden gespendeerd, zijnde 1/4de van de aankoopprijs.

 

Tien jaar later wordt datzelfde (onroerend) goed verkocht voor 160.000,00 EUR.

 

Het eigen vermogen van de vrouw zal een vergoeding bekomen ten bedrage van 1/4de van de verkoopprijs, zijnde 40.000,00 EUR.

 

c)      Het verkregen, in stand gehouden of verbeterd goed is vóór datum ontbinding van het stelsel vervreemd en werd wél vervangen door een ander goed: de vergoeding is gelijk aan de waarde van het nieuwe goed op het ogenblik van de ontbinding van het stelsel.

Interesten en afrekening tussen echtgenoten

Vergoedingen brengen van rechtswege interesten op vanaf de dag van de ontbinding van het stelsel.

 

Compenseren van vergoedingen

In de praktijk worden de rekeningen die bestaan tussen iedere echtgenoot en de gemeenschap gecompenseerd.

 

Praktijkvoorbeeld: de man is bij de ontbinding van het stelsel nog 30.000,00 EUR vergoeding verschuldigd aan de gemeenschap. De gemeenschap daarentegen, moet de man nog een vergoeding van 70.000,00 EUR. De gemeenschap zal de man derhalve een vergoeding van 40.000,00 EUR verschuldigd blijven.

 

Daarna worden de rekeningen van beide echtgenoten met elkaar vergeleken en doen hun wederzijdse vorderingen elkaar teniet ten belope van het kleinste bedrag.

 

Praktijkvoorbeeld: de man heeft dus een vordering van 40.000,00 EUR op de gemeenschap.

Blijkt dat de vrouw ook vergoeding van 30.000,00 EUR moet krijgen van de gemeenschap.

De man zal uiteindelijk nog 10.000,00 EUR vergoeding vanwege het gemeenschappelijk vermogen ontvangen.

 

Eigen  handelszaak en vergoeding

Praktijkvraag: In hoeverre moet de meerwaarde die een eigen handelszaak tijdens het huwelijk verkregen heeft, gecompenseerd worden door een vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen?

 

In de rechtspraak en rechtsleer werden dienaangaande enkele regels/principes uitgewerkt:

a)      De meerwaarde is tot stand gekomen na een herinvestering van de uit de handelszaak voortvloeiende inkomsten (die derhalve gemeenschappelijk zijn): dan zal een vergoeding kunnen gevraagd worden ten belope van maximaal die meerwaarde en minimaal ten belope van het nominaal geïnvesteerde bedrag;

b)     De meerwaarde is de resultante van de persoonlijke verdienste van de handelaar of vindt haar oorzaak in zuivere herwaarderingsmeerwaarden, zonder dat er enige investering mee gepaard is gegaan: er zal geen vergoeding verschuldigd zijn;

c)      De meerwaarde vindt haar oorzaak in prestaties van de meewerkende echtgenoot: er zal geen vergoeding verschuldigd zijn.

Nuance: de meeewerkende echtgenoot kan eventueel een persoonlijke vergoeding vorderen, doch slechts in de mate dat zijn/haar prestaties diens verplichting om bij te dragen in de lasten van het huwelijk, overschreden hebben.

 

Verrekening van de lasten

Een derde vereffeningsverrichting bestaat in de verrekening van de lasten.

Wat betreft de betaling van de gemeenschappelijke schulden vóór de verdeling, hebben de gemeenschappelijke schuldeisers (in principe) voorrang op de echtgenoten-schuldeisers, alsook op de persoonlijke schuldeisers van de echtgenoten.

 

Wat betreft de betaling van de gemeenschappelijke schulden ná de verdeling, is het zo dat elke echtgenoot met al zijn/haar goederen instaat voor de gemeenschappelijke schulden.

 

Wat betreft de betaling van gemeenschappelijke schulden die tijdens het huwelijk niet verhaalbaar waren op het eigen vermogen van een echtgenoot, zal deze echtgenoot slechts instaan voor de betaling ten belope van hetgeen deze echtgenoot bij de verdeling heeft ontvangen.

 

In ieder geval: de echtgenoot die ná de verdeling een gemeenschappelijke schuld heeft betaald, kan de helft daarvan terugvorderen op de andere echtgenoot.

 

Opmaken en vereffenen van de rekeningen

Een vierde vereffeningsverrichting bestaat in het opmaken en het vereffenen van de rekeningen van de post-communautaire onverdeeldheid

 

Rekeningen ten voordelen van de massa

a)      Afrekening omtrent de vruchten (en de aanwas), zoals interesten op een gemeenschappelijke spaarrekening;

 

b)     Afrekening in gevolge daden van beschikking, zoals een gemeenschappelijk auto die met toestemming van beide echtgenoten verkocht wordt. De opbrengst van die verkoop valt dan in de massa;

 

c)      Afrekening wegens gebruik en genot:

 

1. De woonstvergoeding:

 

  1. Gebruiksvergoedingen:

-          Lichamelijke roerende goederen, zoals personenwagens. Voor deze goederen waarvan het gebruik aan één der echtgenoten werd toegewezen, kan soms een aanzienlijke waardevermindering optreden, vermits de waardering der goederen geschiedt op het ogenblik van de verdeling.

Ook hier geldt de regel van artikel 577-2, §5 BW en zou de echtgenoot die de wagen in gebruik heeft, een gebruiksvergoeding moeten betalen.

Over de waardering van deze vergoeding bestaat controverse. Volgens de ene strekking komt een maandelijkse forfaitaire vergoeding in aanmerking, terwijl anderen menen dat het bedrag van de waardevermindering in acht dient genomen te worden.

-          Het gebruik van een handelszaak: het is best mogelijk dat één der echtgenoten ondertussen de gemeenschappelijke handelszaak alleen verder uitbaat/gebruikt.

In voorkomend geval zal – met het oog op de vergoeding – één van de volgende werkwijzen moeten gevolgd worden:

  1. Ofwel behoudt de echtgenoot-uitbater alle inkomsten en dient te worden onderzocht of deze laatste een vergoeding verschuldigd is voor het gebruik van de gemeenschappelijke zaak;
  2. Ofwel vertrekt men van het uitgangspunt dat de inkomsten die uit deze handelszaak verworven worden, gemeenschappelijk zijn en bijgevolg moeten ingebracht worden, evenwel onder aftrek van een vergoeding voor de echtgenoot-uitbater voor de geleverde prestaties.

In de praktijk stuit men vaak op begrotingsproblemen. De aanstelling van een expert kan hier soelaas bieden.

d)     Aanrekening van onderhoudsgelden op de vruchten: in het kader van voorlopige maatregelen kan de rechtbank onder andere een onderhoudsgeld toekennen aan de ene dan wel de andere echtgenoot.

De rechtbank kan hierbij (doch er bestaat geen verplichting) rekening houden met de inkomsten uit gemeenschapsgoederen die aan één der echtgenoten toekomen, zoals bijvoorbeeld de huurgelden afkomstig uit een gemeenschappelijk appartement.

Houdt de rechtbank hiermee geen rekening, dan zal het onderhoudsgeld dat tijdens de echtscheidingsprocedure werd betaald, aangerekend moeten worden op het aandeel van de onderhoudsgerechtigde echtgenoot in de inkomsten uit de gemeenschapsgoederen.

De onderhoudsgelden worden als het ware behandeld als een soort van “voorschot”.

 

 Rekeningen ten laste van de massa

a)      De betaling van onverdeelde passiva door een echtgenoot

De echtgenoot die tijdens de echtscheidingsprocedure de hypothecaire lening verder heeft afbetaald, kan hiervan de helft terugvorderen van de andere echtgenoot.

Opgelet: ofschoon betwist, is bepaalde rechtspraak van mening dat de mogelijkheid tot terugvordering van de helft der betaalde hypothecaire lening zou getemperd kunnen worden in het kader van de hulpverplichting tussen echtgenoten (artikel 213 BW).

b)     Kosten tot behoud van het goed

Kosten tot behoud van het goed, alsook kosten die met toelating van de rechter worden gemaakt, kunnen door een echtgenoot worden aangerekend.

Dit in tegenstelling tot de gewone onderhoudskosten, namelijk deze die een huurder normaal gezien ook draagt, kunnen door de betrokken echtgenoot niet worden aangerekend.

 

Vraagstelling vóór de verdeling: preferentiële toewijs van de woning?