Verdeling bij scheiding van goederen

 

De vereffening en verdeling van een stelsel van scheiding van goederen verloopt anders dan dat van een wettelijk stelsel.

Zo kan de verdeling van de onverdeelde goederen te allen tijde geschieden, ook tijdens het huwelijk.

Uitzonderingen: de bescherming van de gezinswoning en/of een overeenkomst van onverdeeldheid tussen de echtgenoten.

 

Hoe zijn de vermogens in een stelsel van scheiding van goederen samengesteld?

 

Activa

Wat betreft het actief, dienen 2 zaken te worden onderzocht, namelijk:

a)      Het zakenrechtelijk statuut van de goederen – de bewijsregeling (artikel 1468 BW):

 

Het bewijs van de eigen goederen wordt geleverd aan de hand van dezelfde regels die gelden in het wettelijk stelsel, dus artikel 1399, lid 2 en 3 BW.

 

Tussen de echtgenoten onderling kan het eigen karakter der goederen bewezen worden door alle middelen van recht.

Ten aanzien van derden echter, is de bewijsvoering veel strenger!

 

Hoe wordt het bewijs van een eigen onroerend goed geleverd?

In strijd met de overtuiging van vele echtgenoten, is het niet wie de prijs betaald heeft hetwelk determinerend is voor het eigendomsrecht, maar wel wie als verkrijger staat aangeduid in de authentieke akte.

Let wel: indien het onroerend goed door één der echtgenoten werd verkregen met gelden die deze van de andere echtgenoot heeft verkregen, bestaat (in sommige gevallen) de mogelijkheid om deze gelden terug te vorderen en/of verrekend te zien.

 

Indien beide echtgenoten als verkrijgers van het onroerend goed vermeld staan, zonder enige verdere bepaling, dan zijn zij onverdeelde eigenaars, elk voor de helft (het vermoeden van gelijke delen zoals vervat in artikel 577-2 BW).

 

Hoe wordt het bestaan van een eigen roerend goed bewezen?

Ook hier geldt het principe dat de goederen exclusief toebehoren aan de echtgenoot in wiens naam de goederen verworven werden, ongeacht de oorsprong der gelden.

 

Echter, in tegenstelling tot onroerende goederen waarvan de eigendomsoverdracht altijd in een authentieke akte dient te worden vervat (overschrijving hypotheekkantoor), wordt de verwerving van roerende goederen niet altijd in een duidelijk geschrift vastgelegd.

De bewijsregeling van het eigen karakter ligt vervat in artikel 1399, lid 2 en 3 BW en is – voornamelijk ten aanzien van derden – zeer streng.

 

Is een factuur voldoende om het bewijs van eigendom te leveren?

een factuur, bestelbon of een bankrekening (-kluis) op naam van één der echtgenoten geldt tussen echtgenoten slechts als een vermoeden van eigendom.

 

Wanneer de echtgenoot niet in diens bewijslast slaagt, wordt het goed geacht in onverdeeldheid te zijn tussen beide echtgenoten.

 

b)     De verbintenisrechtelijke verhouding tussen de echtgenoten - bewijsregeling:

Artikel 1468 BW is niet van toepassing op de schuldvorderingen die tussen de echtgenoten bestaan.

De echtgenoten die jegens elkaar eigendomsaanspraken maken, moeten conform het gemeen recht het bewijs leveren van de volgende 2 zaken:

-          Het feit dat deze echtgenoot betaald heeft (bewijs door alle middelen van recht mogelijk);

-          De rechtsgrond waarop de echtgenoot zich steunt om terug te vorderen, waarvan het bewijs moet geleverd worden conform de principes van het verbintenissenrecht.

Dit betekent dan ook dat indien een echtgenoot beweert dat hij aan de andere echtgenoot een lening heeft toegestaan, deze echtgenoot een schriftelijk bewijs moet kunnen voorleggen (artikel 1341 BW).

Ook een schenking dient te worden bewezen en dit aan de hand van een notariële akte, tenzij het om een handgift gaat, in welk geval ook een onderhands geschrift volstaat.

 

Passiva

Het stelsel van scheiding van goederen is eenvoudig: in principe zijn alle schulden eigen.

 

De uitzonderingen:

a)      De door de echtgenoten gezamenlijk gemaakte schulden: de echtgenoten zijn hier elk voor hun deel gehouden;

b)     De hoofdelijk aangegane schulden: voor deze schulden kunnen de echtgenoten elk voor het geheel worden aangesproken;

c)      De schulden door één der echtgenoten aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen: de echtgenoten zijn hoofdelijk tot deze schulden gehouden, tenzij ze buitensporig zijn (met inachtneming van de bestaansmiddelen van het gezin).

Indien één der echtgenoten een schuld van de andere heeft betaald, zal deze een schuldvordering hebben ten aanzien van zijn echtgenoot.

 

Onbillijke gevolgen

Het stelsel van zuivere scheiding van goederen biedt het voordeel dat het zeer eenvoudig is. Anderzijds kan dit stelsel in sommige gevallen leiden tot zeer onbillijke situaties.

Te denken valt aan echtparen waarvan de vrouw op professioneel vlak (zware) stappen achteruit zet om voor de kinderen en het huishouden te kunnen zorgen, met het risico dat zij op het einde van de rit met lege handen komt te staan. De beroepsinkomsten zijn in het stelsel van zuivere scheiding van goederen immers eigen…

 

De praktijk heeft om die reden allerlei “correcties” in het leven geroepen, in een poging om de nadelige gevolgen in sommige gevallen (een beetje) te temperen.

Ook echtgenoten kunnen – wat hun onderlinge verhouding betreft – bepaalde afspraken maken.

 

Enkele praktijkvoorbeelden

Rechtspraak Hof van Cassatie d.d. 22 april 1976 – bijdragen in de lasten van het huwelijk

In haar principe-arrest van 22 april 1976 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat - in een stelsel van scheiding van goederen met een (courant) beding dat iedere echtgenoot geacht wordt dag voor dag zijn bijdrage geleverd te hebben in de lasten van de huishouding – de vrouw die het huishouden doet, het kind van partijen verzorgt en niet vergoed werd voor haar bijdragen, geacht wordt zo haar bijdrage geleverd te hebben.

 Het Hof voegde daaraan toe dat de betaling door de man van haar helft in de prijs van een op beide namen aangekocht onroerend goed, geen schenking uitmaakt.

Het Hof stelde dat onder de “bijdragen in de lasten van het huwelijk” ook moet verstaan worden: alle lasten die voortvloeien uit de aankoop, het afbetalen van de lening en het onderhoud van de gemeenschappelijke woning.

 

Rechtspraak Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 18 oktober 1977 – bestaan van een onverdeeldheid - handelszaak – onroerend goed

Volgens het Hof van Beroep te Antwerpen behoorde een handelszaak die door van goederen gescheiden echtgenoten samen begonnen en uitgebaat werd, toe aan hen beiden, elk voor de helft en dit ongeacht de omvang van hun respectieve bijdrage.

 Het Hof meende tevens dat de bouw of aankoop van onroerende goederen met opbrengsten uit die handelszaak, tevens aan hen beide voor de onverdeelde helft toekwam.

 

Rechtspraak Hof van Beroep te Brussel d.d. 20 mei 1996 – bestaan van een onverdeeldheid - handelszaak  

Het Hof te Brussel oordeelde daarentegen dat het ontbreken van een werkelijke deelneming aan de risico’s van de uitbating van de handelszaak, alsook het aanspraak maken op vervoerskosten en commissielonen, onverenigbaar zijn met het statuut van mede-eigenaar van de helft van de zaak.

 

Rechtspraak Hof van Beroep te Brussel d.d. 6 maart 1963 – bestaan van een natuurlijke verbintenis

In voornoemd arrest werd de door een man betaalde koopsom van een onroerend goed op naam van zijn echtgenote, beschouwd als zijnde een vergoeding voor gepresteerde diensten (uit hoofde van een natuurlijke verbintenis) en niet als een herroepbare schenking.

 

Onder een ‘natuurlijke verbintenis’ verstaat men een verbintenis die weliswaar niet in rechte kan worden afgedwongen, maar die toch – wanneer ze vrijwillig werd uitgevoerd – geldig bestaat en geen aanleiding kan geven tot de terugvordering van de prestaties.

Opmerking: ook een omgekeerde redenering is mogelijk.

Men kan stellen dat degene die onvergoed prestaties verricht heeft (bijvoorbeeld wanneer de man verbeteringswerken uitvoert aan de eigen woning van zijn vrouw), dit heeft gedaan op grond van een ‘natuurlijke verbintenis’, hetgeen impliceert dat deze prestaties geen aanleiding kunnen geven tot het vorderen van een vergoeding.

 

Afrekeningen tussen de vermogens van de echtgenoten

De start van een echtscheidingsprocedure heeft geen enkel effect op de patrimoniale verhouding tussen de echtgenoten.

In tegenstelling tot het geval is bij de ontbinding van een wettelijk stelsel, ontstaat er bij de ontbinding van het stelsel van scheiding van goederen geen post-communautaire onverdeeldheid, om reden dat er nooit een gemeenschap heeft bestaan.

De vertrekdatum om de afrekening tussen de vermogens van de echtgenoten op te stellen, is dus de datum van de feitelijke scheiding.

 

Echtgenoten zullen in de praktijk onder meer een afrekening moeten opmaken omtrent:

a) Het beheer

Het is mogelijk dat het eigen vermogen van één der echtgenoten instaat voor de betaling van bijvoorbeeld de hypothecaire lening, de onroerende voorheffing en de brandverzekering met betrekking tot (een) onverdeeld(e) goed(eren).

 Deze betalingen zullen in principe moeten verrekend worden met de andere echtgenoot.

 Uitzondering: wanneer de rechter die de voorlopige maatregelen tijdens de echtscheidingsprocedure heeft uitgesproken, uitdrukkelijk heeft bepaald dat de betaling van dergelijke lasten als een uitoefening in natura te beschouwen valt van de bijstandsverplichting (artikel 213 BW).

b) De woonst- en gebruiksvergoeding

Wanneer één der echtgenoten de gezinswoning die in onverdeeldheid is, blijft betrekken, is deze principieel een woonstvergoeding verschuldigd.

Het recht op woonstvergoeding ontstaat hier vanaf datum feitelijke scheiding.

Wat als de ene echtgenoot blijft wonen in de gezinswoning die exclusief toebehoort aan de andere echtgenoot?

Er kan geen sprake zijn van een ‘woonstvergoeding’, want het gaat niet om een onverdeeldheid. De vraag stelt zich of de echtgenoot-eigenaar aanspraak kan maken op een bezettingsvergoeding.

Het antwoord is negatief.

Meestal wordt geoordeeld dat de echtgenoot-eigenaar van de woning die vrijwillig de gezinswoning verlaten heeft, verzaakt heeft aan het bekomen van een bezettingsvergoeding.

Is preferentiële toewijs mogelijk?

De pogingen van de rechtspraak ten spijt, kan geen der echtgenoten – in een stelsel van scheiding van goederen – zich beroepen op de preferentiële toewijs van onverdeelde goederen.