Wettelijke samenwoning

Vanaf 1 september 2014 is de familierechtbank tevens bevoegd voor geschillen tussen (en in verband met) wettelijke samenwonenden.

Net zoals voor gehuwden het geval is, bestaat ook voor wettelijk samenwonenden een primair stelsel waarin de rechten en plichten van de samenwoners beschreven staan (artikel 1477 BW).

 

Meer bepaald werden de volgende bepalingen overgenomen uit het huwelijksvermogensrecht:

-          De bescherming van de gezinswoning;

-          De bijdrage in de lasten van het huwelijk;

-          De hoofdelijke aansprakelijkheid voor gezinsschulden.

Daarenboven is ook voor wettelijke samenwoners voorzien in een regeling van dringende en voorlopige maatregelen.

 

Vermits de wettelijke samenwoning éénzijdig en zonder tussenkomst van de rechter kan beëindigd worden, is het voor iedere samenwoner mogelijk om op elk ogenblik de wettelijke bepalingen buiten spel te zetten.

 

Behalve in geval van de toekenning van sommige dringende en voorlopige maatregelen, verliezen de wettelijke samenwoners bijgevolg iedere (wettelijke) bescherming, net wanneer deze nodig is.

 

 

Dringende en voorlopige maatregelen

Artikel 1479 BW voorziet dat wanneer de verstandhouding tussen de wettelijk samenwonenden ernstig verstoord is, de familierechtbank naar analogie met artikel 223 BW, op verzoek van één der partijen, dringende en voorlopige maatregelen beveelt met betrekking tot onder andere:

a)      Het betrekken van de gemeenschappelijke verblijfplaats indien de wettelijk samenwonenden daarmee niet akkoord gaan;

b)     Het ouderlijk gezag, de organisatie van de verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact;

c)      Het begroten, wijzigen of afschaffen van uitkeringen tot levensonderhoud;

d)     De wettelijke en contractuele verplichtingen van beide samenwonenden.

 

 

Bij wettelijk samenwonenden dienen de maatregelen beperkt te worden in de tijd. De wet bepaalt evenwel geen maximumtermijn.

 

De dringende en voorlopige maatregelen betreffende de (goederen van de) partners komen sowieso te vervallen bij de beëindiging van de wettelijke samenwoning op de wijze die door de wet is bepaald, zodat deze maatregelen in de praktijk zelden uitwerking zullen hebben.

Indien de samenwoning enkel ‘feitelijk’ beëindigd wordt, zullen de maatregelen van kracht blijven.

 

Echter: na de beëindiging van de wettelijke samenwoning kan de familierechtbank nog maatregelen bevelen die ‘ingevolge de beëindiging gerechtvaardigd zijn’.

Vereist is dat de samenwoning conform de wet beëindigd werd en dat de vordering binnen de drie maanden na deze beëindiging wordt ingesteld (artikel 1479, derde lid BW).

In voorkomend geval kan de familierechtbank de maatregelen opleggen zoals vervat in de artikelen 1253ter/5 en 1253ter/6 Ger. W..

De maatregelen kunnen voor maximaal één jaar worden opgelegd, behalve wanneer deze maatregelen betrekking hebben op de gemeenschappelijke kinderen van de wettelijk samenwonenden.

 

Onderhoudsbijdrage

Vermits de wetgever de regels in verband met de bijdrageplicht die tussen echtgenoten gelden, van toepassing heeft verklaard op de wettelijke samenwoners, kan evenzeer gesteld worden dat wanneer één der partners tijdens de samenwoning zijn bijdrageplicht niet nakomt, de rechtbank deze kan omzetten in de betaling van een onderhoudsbijdrage.

 

Maar: vermits deze maatregel een einde neemt zodra één der partners de samenwoning conform artikel 1476 §2, 6de lid BW heeft beëindigd, zal de in gebreke blijvende partner zich gemakkelijk van zijn plichten kunnen kwijten.

 

Het staat de partners natuurlijk vrij om onderling een onderhoudsgeld of vergoeding overeen te komen, wanneer de samenwoning een einde zal nemen. Het moet hierbij evenwel gaan om een beperkt overbruggingsgeld dat de behoeftige ex-partner in staat moet stellen om diens persoonlijk onderhoud naar de toekomst toe te organiseren.

 

Maatregelen betreffende de goederen

 Wat betreft de goederen van de samenwonenden, beschikt de familierechtbank over dezelfde bevoegdheden als bij gehuwden.

Zo kan de rechtbank het gebruik van onverdeelde, maar ook van eigen goederen van de samenwoners toewijzen aan één van hen.

De rechtbank kan bijvoorbeeld ook de afbetaling van een (hypothecaire) lening ten laste van één partij leggen.

 

 

Vereffening en verdeling na de beëindiging van de samenwoning

De zakenrechtelijke aspecten zijn eenvoudig: iedere samenwonende behoudt de goederen waarvan hij of zij de eigendom kan bewijzen, de inkomsten uit die goederen en de inkomsten uit arbeid.

De goederen waarvan geen der samenwonenden de eigendom kan bewijzen en de daaruit voortvloeiende inkomsten daarentegen, worden geacht onverdeeld te zijn.

 

De onverdeeldheid die in het kader van de wettelijke samenwoning is ontstaan, wordt vereffend en verdeeld volgens de regels van de mede-eigendom vervat in artikel 577-2 BW. Voor meer informatie, klik hier (zie feitel samenw).

Indien de samenwoners zich niet kunnen vinden in een minnelijke vereffening-verdeling, zal bij toepassing van artikel 815 BW de gerechtelijke (vereffening-) verdeling moeten gevorderd worden.

 

Gezinswoning in onverdeeldheid - woonstvergoeding verschuldigd

Op grond van artikel 577-2, §5 BW heeft elke onverdeelde mede-eigenaar recht op het gebruik en genot van de onverdeelde zaak.

 

Wanneer de gezinswoning aan de wettelijk samenwonende partners in onverdeeldheid toebehoort, zal de partner die bij een breuk de woning verlaat, gerechtigd zijn op een woonstvergoeding van diens ex-partner die in de woning is blijven wonen.

 

Het recht op een woonstvergoeding ontstaat vanaf het ogenblik dat de partner de woning verlaten heeft.

De woonstvergoeding is principieel gelijk aan de huurwaarde van het onroerend goed.